![]() ![]()
Auteur Foto’s Uitgave |
Handboek Motten Alle microvlinders van Nederland en België Herkenning, verspreiding en levenswijze van 1690 soorten Hoe moet je een boek omschrijven dat de staat van perfectie benadert? Dat bijna volmaakt is? Want die conclusie moet je wel trekken na het lezen van de teksten en het bekijken en nog eens bekijken van de duizenden haarscherpe foto’s van alle microvlinders van Nederland en België in het tweedelige Handboek Motten. De twee kloeke boeken stralen door hun gewicht en vormgeving al aan de buitenkant uit dat het om bijzondere uitgaven gaat. Ook al omdat het anderhalve eeuw geleden (1882) is dat het laatste complete overzicht van onze microvlinders was gepubliceerd. Microvlinders, of motten zoals de auteur ze bijna liefkozend noemt, zijn kleine nachtvlinders, in tegenstelling tot de grote(re) macrovlinders, die weer gesplitst zijn in dag- en nachtvlinders. Het is geen scherp onderscheid, want er zijn ook dagactieve motten die groter zijn dan macrovlinders. In het Handboek worden de verschillen toegelicht. Overigens verandert de indeling van nachtvlinders nogal al eens door DNA-onderzoek. Evenals trouwens hun namen. Recent zijn om diverse redenen zo’n honderd nachtvlinders hernoemd. Het hart van de boeken vormen de ruim 4400 (!) kleurenfoto’s van alle 1694 soorten, voornamelijk van de schrijver en van Gerwin van de Maat. De afbeeldingen zijn van motten in rusthouding zodat ze goed herkenbaar zijn. Vrijwel alle foto’s zijn sterk vergroot. De werkelijke grootte wordt weergegeven via een zwart silhouet. Is het al een prestatie om zoveel micro’s op de plaat te krijgen, zelfs de rupsen zijn gefotografeerd. En ook nog plaatjes van bladmijnen, de sporen van kleine in het blad levende larven, de mineerders. Hoe je het beste motten kunt fotograferen, legt ‘mottenman’ Tymo Muus haarfijn uit. Verder staat in de inleidende hoofdstukken uitgebreide informatie over de lichaamsbouw van de vlinders en over de ontwikkeling van eitje tot rups tot pop tot vlinder. Waar kun je microvlinders vinden, hoe moet je ze prepareren en conserveren, met welke technieken kun je ze onderzoeken, hoe ze te vangen (vlindervallen zijn tegenwoordig populair) of hoe ze te kweken? Om zoveel mogelijk gegevens te publiceren is gekozen voor een dun lettertype wat (met oudere ogen) niet zo makkelijk leest. Boeiend is ook het hoofdstuk Levensstrategieën. Het grootste deel van het vlinderleven speelt zich als rups af. Microvlinders doen dat in het verborgene, op soms ingenieuze wijze. Ze leven in bloemen, vruchten, zaden, stengels, bladeren, bodem, wortels, in dood materiaal (veren en haren), in (dood) hout en zwammen en zelfs onder water. Rupsen van sommige onder water levende motten hebben langwerpige kieuwdraden en poppen hebben schoorsteenachtige ademhalingsopeningen. Hoe vernuftig! De soortbeschrijvingen geven kort maar helder aan hoe de motten eruitzien, de bijbehorende foto’s staan bij de tekst. Toch zullen niet alle motten met deze boeken op naam gebracht kunnen worden omdat diverse soorten op elkaar lijken. Daarvoor zijn ID-tools ontwikkeld met zeer gedetailleerde tekeningen van (voornamelijk) de unieke kenmerken van genitaliën. Verder staan bij de soorten gegevens over de vliegtijd, wanneer de rupsen er zijn, over de waardplant(en) en over het voorkomen in Nederland en België. Een uitgebreide literatuurverwijzing is logisch in zo’n standaardwerk. Met het Handboek Motten heeft Tymo Muus een weergaloos standbeeld voor de honderden microvlinders in Nederland en België opgericht. AdG, 31 maart 2026
|
Handboek Motten
|
|

