Auteur Uitgave Vogelserie Atlas Contact |
De kemphaan Het is nauwelijks voor te stellen, rond de vorige eeuwwisseling was de kemphaan de talrijkste weidevogel in ons land, maar als broedvogel is ‘de vechtlustige’ nagenoeg uit West-Europa verdwenen. Er broeden hooguit nog maar enkele paartjes in Nederland. De vogels hebben hun leefgebied en trekroutes ver naar het oosten van Europa verlegd, als gevolg van ontwatering van de graslanden en de intensivering van de landbouw in onze contreien. Kemphanen hebben een heel specifiek broedterrein nodig, zure en voedselarme grond, drassig, extensief beheerd, niet bemest, ’s winters onder water en vanaf april langzaam opdrogend waardoor een wisselende vegetatie ontstaat met een hoogte van tien tot twintig centimeter. Kortom: een voor kemphanen geschikt biotoop is minder geschikt voor andere weidevogels zoals de grutto, en is ook niet geschikt voor een boerderij met vee. Zoals onderzoeker Marc van Houten in zijn boeiende boek ‘De kemphaan’ noteert: Hoe blijer de boer, hoe minder blij te vogels. Van Houten (1963) heeft van jongs af aan al zijn tochtjes en belevenissen opgeschreven, zijn vogeldagboeken. Daardoor was hij in staat om tot in detail zijn ervaringen op een levendige manier over te dragen. Er staan heel veel feiten over de kemphaan in zijn boek, maar het wordt nergens droog, integendeel. Een bijzonder voorval was natuurlijk de ontdekking dat er drie ‘soorten’ mannetjes kemphanen zijn: behalve de dominante honkmannetjes (bont gekleurd) en de meer onderdanige satellietmannetjes (met witte kraag) die aan de rand van de baltsplaats (arena) verblijven, de faren. Een faar lijkt op een groot uitgevallen hennetje, gedraagt zich als een vrouwtje en kan daardoor dicht bij de hennetjes komen. Het vrouwtje bepaalt wanneer ze en met welk mannetje ze gaat paren. Als de paring op het punt staat te beginnen, dringt de faar (‘sneaky fucker’) zich stiekem voor de haan, het hennetje merkt dat niet eens. Dit in de natuur uitzonderlijke verschijnsel werd pas begin deze eeuw wetenschappelijk beschreven. De faar paart ook met mannetjes. De verklaring voor dit ‘vrouwtje met testikels’ wordt gezocht in een ‘genetisch ongelukje’. Doortrekkende kemphanen kun je met hun driftige foerageerbewegingen alleen overdag zien: door hun kleine, minder goede ogen zien ze in het donker niet zo goed. Ook merken ze predatoren dan minder snel op. Door hun relatieve korte snavels kunnen ze minder goed bij ingegraven prooien en door hun korte poten kunnen ze geen voedsel in dieper water vinden. Over het voedsel van kemphanen is nog lang niet alles bekend. Dit zijn maar enkele feitjes. De auteur heeft tal van wetenswaardigheden over de kemphaan verzameld. Door eigen waarnemingen en door het raadplegen van tal van deskundigen in binnen- en buitenland. Die gesprekken en hun tochtjes in het veld leveren fascinerende beschrijvingen op over het gedrag van kemphanen en het landschap waarin ze leven. Deel 29 van de Atlas-Vogelserie is weer zo’n meeslepend boek met veel diepgang over een specifieke vogelsoort. AdG, 13 maart 2026
|
De kemphaan
|
|