Auteur Uitgave |
Wild spotten in Nederland De natuur leren lezen met al je zintuigen Wild spotten is meer dan een vluchtige blik werpen op een dier. Wanneer je de oppervlakkigheid bij je waarnemingen wil ontstijgen, biedt deze uitgave je vele handvatten. Wandelen is de geëigende manier van voortbewegen, maar stilstaan levert misschien nog meer waarnemingen op. Zeker als je opgaat in het landschap. Heel praktisch is de beschrijving hoe je een verrekijker optimaal kan gebruiken en welk type voor wild kijken het meest geschikt is. Maar het gaat niet alleen over kijken. Al je zintuigen kun je gebruiken: ruiken, proeven, voelen en luisteren zijn belangrijke zintuigen om meer van je waarneming te genieten. Al deze zintuigen komen aan bod. Het theoretisch verhaal ondersteunt hij met eigen ervaringen. Daardoor kunnen ‘zijn’ ervaringen, ook ‘jouw’ ervaringen worden. Veel van zijn belevenissen spelen zich af in verre natuurgebieden. Het tastzintuig komt aan zijn trekken wanneer hij van een kudde rennende buffels het hoefgetrappel in zijn eigen voeten voelt. Maar door de vele buitenlandse anekdotes begint het wel een beetje te schuren. De titel is toch ‘Wild spotten in Nederland’? Waar kan ik die ervaringen in ons land opdoen? In een aantal uitspraken is de auteur heel stellig. Zoals: ‘Hoe ongerepter het natuurgebied, hoe groter de diversiteit aan dieren.’ Het hangt er maar helemaal vanaf welk ongerept natuurgebied je neemt en wanneer. Ik durf de stelling wel aan dat ik op mijn fietsrondje door de polders rond Hazerswoude een grotere diversiteit aantref dan op Spitsbergen. Verder: ‘In het gebied van de Oostvaardersplassen grazen ook Schotse hooglanders.’ Maar in heel de Oostvaardersplassen komt geen Schotse hooglander voor. Daar grazen onder meer Heck-runderen. Cosijn schrijft dat roofvogels jagen op gewervelde dieren en vlees eten. Libellen vliegend boven de heide denken daar heel anders over als er een boomvalk in de buurt is. Is dat allemaal erg? Misschien niet, maar het maakt me een beetje wantrouwig voor andere stellige beweringen. Met een aantal anekdotes kun je je voordeel doen. De beschrijving over de slechtvalk die de auteur lopend naar zijn werk ziet, kan iedereen die lopend of fietsend naar zijn werk gaat op zichzelf toepassen. Het hoeft niet per se om een slechtvalk te gaan, maat het gaat om dieren die je regelmatig op je tocht tegenkomt. Hoe ziet hij eruit, zie ik veranderingen in gedrag, wanneer verschijnt hij, ontdek je patronen? Zo verdiep je je kennis en wordt je tocht leuker en interessanter. In de wildlife kalender heb je per maand een overzicht van welk dier je waar kan zien. Bijvoorbeeld in mei met een gids in de boot vind je een bever in de Biesbosch of in oktober op excursie een visarend in de IJsseldelta. Zulke overzichten zijn verre van compleet, maar in de tekst staan genoeg verwijzingen naar plaatsen om naar wild te kijken. Ook is er een index van vijftig natuurgebieden in een kaartje van Nederland. Per natuurgebied wordt verwezen naar het paginanummer waar over het betreffende gebied is te lezen. Als beginnend wildspotter kun je je voordeel doen met deze uitgave, vooral als het gaat over hoe je te bewegen en hoe waar te nemen in de natuur. Ko Katsman, 10 maart 2026
|
Wild spotten in Nederland
|
|