Want vogels zijn precies als mensen

Auteur
Tim De Winter

Uitgave
Borgerhoff & Lamberigts 2026
216 pagina’s, 19 x 24,5 cm
ISBN 978 94 9341 079 4
€ 27,50

Want vogels zijn precies als mensen

Vermakelijke verhalen over vogels van hier en hun wonderlijke leven

Natuurboeken zijn doorgaans bloedserieus. Er zijn ook schrijvers die hun pennenvruchten doorspekken met leuke anekdotes of woordspelingen, maar een zo vermakelijke vermenging van feiten en vermakelijkheden als in dit boek heb ik zelden gelezen.

Ongetwijfeld speelt daarbij een rol dat Tim De Winter een Belg is die veel Vlaamse woorden gebruikt die Nederlanders niet kennen of in elk geval speels in de oren klinken. Hij heeft een zestigtal vogels uitgezocht om die qua gedrag te ‘vergelijken’ met mensen. Dat levert prachtige cursiefjes op met tal van wetenswaardigheden.

Hieronder enkele citaten uit het boek, die weerspiegelen hoe De Winter naar onze gevleugelde vrienden kijkt. Samengevat: een heel schoon boekske!

“Boerenzwaluwen zijn een van de meest frivole vogeltjes in onze contreien. Fladderend rond de koeienstallen, kwetterend op de (telefoon)draden. De boerenzwaluw is die met de pitteleer, de diep gevorkte staart. Andere zwaluwen hebben ook wel zo’n vork, maar geen een doet het beter dan het boerken. Daar kan hij mee stoefen. Daar wordt om gestreden. Want een diep gevorkte staart, daar staan de dames naar te gapen. Dat is bij mensen niet veel anders. De kleren maken de man.”

“Een wijze uil dus, dat steenuiltje. Al was het evengoed een dwaas beest. Het een kan blijkbaar niet zonder het ander. De steenuil was evenzeer een symbool van baldadigheid, hij werd beschouwd als de zotte nonkel van vogelland. Zo’n onhandig hobbelend uiltje in een akker deed wat denken aan een dronkaard die van de kroeg terugkeerde. Een drinkgelag met uilenbekers was in de middeleeuwen het equivalent van de huidige zatte studentenfuiven: een beker in de vorm van een uil met een deksel als uilenkop, meer had je niet nodig om jezelf belachelijk te maken. De truc was om de beker zo snel mogelijk leeg te dringen, anders kreeg je het deksel op de neus.”

Een groot zwart beest vliegt spiedend door het bos. Als een donkere schaduw terroriseert het de omgeving. Zijn maniakale lach verbijstert de schuchtere wandelaar. Dan hoor je plots het doffe, zware geluid weergalmen van een machinegeweer. Nu weet je ’t zeker: in dit bos ben je niet veilig. Maar huis! Naar huis! De zwarte specht. Dat is de Dryocopus martius: de specht van Mars, de oorlogsgod bij de Romeinen”.

AdG, 6 maart 2026